Learn Dutch
B1 · Prepositions

In: geloven, werken en uitlopen

Prepositional verbs with in: believe, work, end up.

  1. Hij gelooft ___ de kracht van eigen keuzes.
  2. Zij werkt ___ een zorginstelling in Utrecht.
  3. De twee gesprekken liepen uit ___ één lang gesprek.
  4. Hij woont nu al drie jaar ___ het studentenhuis in Delft.
  5. De toekomst van het centrum ligt ___ de hand van de gemeenteraad.
  6. De stad investeert fors ___ de nieuwe fietsinfrastructuur.
  7. Zij nam de opmerking van haar baas ___ de juiste context.
  8. De discussie belandde ___ een politieke ruzie.
  9. Veel jongeren nemen deel ___ het kunstproject in de wijk.
  10. We stemmen de plannen ___ de wensen van de bewoners.
  11. Het idee is uitgegroeid ___ een heel project, het is meer dan een initiatief.
  12. Zij klaagde ___ de kosten van het abonnement.