B1 · Prepositions
In: geloven, werken en uitlopen
Prepositional verbs with in: believe, work, end up.
- Hij gelooft ___ de kracht van eigen keuzes.
- Zij werkt ___ een zorginstelling in Utrecht.
- De twee gesprekken liepen uit ___ één lang gesprek.
- Hij woont nu al drie jaar ___ het studentenhuis in Delft.
- De toekomst van het centrum ligt ___ de hand van de gemeenteraad.
- De stad investeert fors ___ de nieuwe fietsinfrastructuur.
- Zij nam de opmerking van haar baas ___ de juiste context.
- De discussie belandde ___ een politieke ruzie.
- Veel jongeren nemen deel ___ het kunstproject in de wijk.
- We stemmen de plannen ___ de wensen van de bewoners.
- Het idee is uitgegroeid ___ een heel project, het is meer dan een initiatief.
- Zij klaagde ___ de kosten van het abonnement.