Learn Dutch
B1 · Prepositions

Af: afrekenen, afronden, afwijken

Prepositional verbs with af: settle, round off, differ.

  1. We trekken de kosten van het project ___ de begroting af.
  2. De prijs van de reis wordt afgerond ___ tien euro per persoon.
  3. Onze werkwijze wijkt ___ die van het andere team af.
  4. We sluiten het contract ___ de leverancier af.
  5. Het ontwerp moet worden afgestemd ___ de wensen van de bewoners.
  6. Zij rekende de schade af ___ de verzekeraar.
  7. We hebben de oude meubels afgestaan ___ de kringloopwinkel.
  8. Het aantal deelnemers verschilt sterk ___ per maand.
  9. De plannen zijn afgestemd ___ de beschikbare tijd.
  10. Hij deed afstand ___ het voorstel van de buurt.
  11. De directeur dankte de sponsor af ___ zijn royale bijdrage.
  12. Zij bracht de oude laptop ___ de kringloopwinkel.