B1 · Prepositions
Af: afrekenen, afronden, afwijken
Prepositional verbs with af: settle, round off, differ.
- We trekken de kosten van het project ___ de begroting af.
- De prijs van de reis wordt afgerond ___ tien euro per persoon.
- Onze werkwijze wijkt ___ die van het andere team af.
- We sluiten het contract ___ de leverancier af.
- Het ontwerp moet worden afgestemd ___ de wensen van de bewoners.
- Zij rekende de schade af ___ de verzekeraar.
- We hebben de oude meubels afgestaan ___ de kringloopwinkel.
- Het aantal deelnemers verschilt sterk ___ per maand.
- De plannen zijn afgestemd ___ de beschikbare tijd.
- Hij deed afstand ___ het voorstel van de buurt.
- De directeur dankte de sponsor af ___ zijn royale bijdrage.
- Zij bracht de oude laptop ___ de kringloopwinkel.