Learn Dutch
B1 · Prepositions

Zonder: ontberen en vergeten

Prepositional verbs and phrases with zonder.

  1. Hij trok zijn jas aan en ging ___ problemen naar buiten.
  2. Zij ging naar het station ___ een ticket te kopen.
  3. Je krijgt die baan niet ___ een goed cv.
  4. De oude brug is gebouwd ___ enige hulp van de overheid.
  5. Hij werkte de hele week ___ onderbreking.
  6. Zij vertelde het verhaal ___ enige emotie, heel droog.
  7. De werkgever zoekt iemand ___ ervaring, maar wel met motivatie.
  8. De prijs is dezelfde als vorig jaar, ___ verschil.
  9. Hij sprak met de buurtman ___ boos te worden.
  10. Het team speelde de hele wedstrijd ___ één wissel.
  11. Hij legde het uit ___ lang verhaal, in één zin.
  12. Zij is een moederecht, je kunt niets ___ haar.