B1 · Prepositions
Zonder: ontberen en vergeten
Prepositional verbs and phrases with zonder.
- Hij trok zijn jas aan en ging ___ problemen naar buiten.
- Zij ging naar het station ___ een ticket te kopen.
- Je krijgt die baan niet ___ een goed cv.
- De oude brug is gebouwd ___ enige hulp van de overheid.
- Hij werkte de hele week ___ onderbreking.
- Zij vertelde het verhaal ___ enige emotie, heel droog.
- De werkgever zoekt iemand ___ ervaring, maar wel met motivatie.
- De prijs is dezelfde als vorig jaar, ___ verschil.
- Hij sprak met de buurtman ___ boos te worden.
- Het team speelde de hele wedstrijd ___ één wissel.
- Hij legde het uit ___ lang verhaal, in één zin.
- Zij is een moederecht, je kunt niets ___ haar.