Learn Dutch
B1 · Prepositions

Te midden van

Te midden van for in the middle of, amid.

  1. Het gesprek vond plaats ___ de nacht, de hele buurt sliep.
  2. Hij stond ___ de massa op het plein, onvindbaar.
  3. De brief zat ___ de stapel post van vandaag.
  4. Te midden ___ de steden ligt een groot natuurgebied.
  5. Ze bleef kalm ___ alle drukte om haar heen.
  6. Het dorp ligt ___ de bossen, ver van de stad.
  7. We kwamen precies ___ zaterdagavond, de hele buurt was er.
  8. Hij nam ___ de drukte de tijd om rustig te praten.
  9. Midden ___ de groep stond één jongen die niets zei.
  10. Hij verloor zich ___ de mensen op de markt.
  11. Zij was ___ de andere kandidaten de enige die de test haalde.
  12. De klok sloeg twaalf, de hele stad sliep ___ de nacht.