B1 · Prepositions
Te midden van
Te midden van for in the middle of, amid.
- Het gesprek vond plaats ___ de nacht, de hele buurt sliep.
- Hij stond ___ de massa op het plein, onvindbaar.
- De brief zat ___ de stapel post van vandaag.
- Te midden ___ de steden ligt een groot natuurgebied.
- Ze bleef kalm ___ alle drukte om haar heen.
- Het dorp ligt ___ de bossen, ver van de stad.
- We kwamen precies ___ zaterdagavond, de hele buurt was er.
- Hij nam ___ de drukte de tijd om rustig te praten.
- Midden ___ de groep stond één jongen die niets zei.
- Hij verloor zich ___ de mensen op de markt.
- Zij was ___ de andere kandidaten de enige die de test haalde.
- De klok sloeg twaalf, de hele stad sliep ___ de nacht.