Learn Dutch
B1 · Prepositions

Aan het begin en het einde van

Aan het begin van and aan het einde van for start and end.

  1. Aan het begin ___ de ochtend is het hier altijd rustig.
  2. Aan het einde ___ de les gaan we samen naar huis.
  3. Aan het begin ___ het jaar maakten we allemaal goede voornemens.
  4. Hij vertelde dit ___ het einde van het gesprek, niet meteen.
  5. Aan het begin ___ de film hoor je de muziek duidelijker.
  6. Aan het einde ___ de presentatie was er tijd voor vragen.
  7. De cursus begint in januari en eindigt ___ mei.
  8. Aan het begin ___ de middag was het nog rustig op de markt.
  9. Aan het eind ___ de rit konden we uitzicht op de zee.
  10. Het nieuw komt pas aan het einde ___ de week op de website.
  11. Aan het begin ___ zijn loopbaan werkte hij in een klein bedrijf.
  12. Aan het einde ___ de dag liep ze nog even langs de markt.