Learn Dutch
B1 · Prepositions

In de loop van en op het moment van

In de loop van the course of, op het moment van the moment of.

  1. In de loop ___ de dag verandert het licht in de studio.
  2. Op het moment ___ de aankomst was de hele familie er.
  3. In de loop ___ de vergadering kwamen er drie vragen binnen.
  4. Op het moment ___ de opening was het al druk in de winkel.
  5. In de loop ___ het jaar repareerde de gemeente tientallen bruggen.
  6. Op het moment ___ de brand was iedereen binnen een paar minuten buiten.
  7. In de loop ___ zijn studie maakte hij kennis met veel mensen.
  8. Op het moment ___ de overdracht stond het huis al te koop.
  9. In de loop ___ de ochtend kwamen de eerste klanten al langs.
  10. In de loop ___ de maand steeg het verbruik met vijftien procent.
  11. Op het moment ___ de feestelijke opening was er een orkest.
  12. In de loop ___ de eerste week kregen we veel berichten.