B1 · Prepositions
In de loop van en op het moment van
In de loop van the course of, op het moment van the moment of.
- In de loop ___ de dag verandert het licht in de studio.
- Op het moment ___ de aankomst was de hele familie er.
- In de loop ___ de vergadering kwamen er drie vragen binnen.
- Op het moment ___ de opening was het al druk in de winkel.
- In de loop ___ het jaar repareerde de gemeente tientallen bruggen.
- Op het moment ___ de brand was iedereen binnen een paar minuten buiten.
- In de loop ___ zijn studie maakte hij kennis met veel mensen.
- Op het moment ___ de overdracht stond het huis al te koop.
- In de loop ___ de ochtend kwamen de eerste klanten al langs.
- In de loop ___ de maand steeg het verbruik met vijftien procent.
- Op het moment ___ de feestelijke opening was er een orkest.
- In de loop ___ de eerste week kregen we veel berichten.