B1 · Prepositions
Voorzetsels bij reden en doel
Prepositions after reasons and goals: om, voor, tot, naar.
- Hij studeert Nederlands ___ beter met de buurt te kunnen praten.
- De regels zijn er ___ de veiligheid van de bewoners.
- Zij was er heel blij ___ dat de bus op tijd kwam.
- Hij oefent elke dag ___ beter te worden in het spreken.
- Wij werken samen ___ een betere buurt.
- Hij praatte lang ___ de reden van zijn vertrek.
- Het plan is gemaakt ___ het probleem op te lossen.
- De cursus is bedoeld ___ volwassenen die willen leren.
- Hij verliet de zaal ___ hij iets te zeggen had.
- We vieren het feest ___ de vrijwilligers te bedanken.
- De gemeente zet geld apart ___ de verbetering van de speelplaats.
- Hij nam een korte vakantie ___ zijn ouders te bezoeken.