Learn Dutch
B1 · Prepositions

Voorzetsels bij reden en doel

Prepositions after reasons and goals: om, voor, tot, naar.

  1. Hij studeert Nederlands ___ beter met de buurt te kunnen praten.
  2. De regels zijn er ___ de veiligheid van de bewoners.
  3. Zij was er heel blij ___ dat de bus op tijd kwam.
  4. Hij oefent elke dag ___ beter te worden in het spreken.
  5. Wij werken samen ___ een betere buurt.
  6. Hij praatte lang ___ de reden van zijn vertrek.
  7. Het plan is gemaakt ___ het probleem op te lossen.
  8. De cursus is bedoeld ___ volwassenen die willen leren.
  9. Hij verliet de zaal ___ hij iets te zeggen had.
  10. We vieren het feest ___ de vrijwilligers te bedanken.
  11. De gemeente zet geld apart ___ de verbetering van de speelplaats.
  12. Hij nam een korte vakantie ___ zijn ouders te bezoeken.