Learn Dutch
B1 · Prepositions

Preposities van de manier

Prepositions of manner: met, op, in, uit, naar.

  1. Hij fietst ___ de fiets naar het station, het was druk op de weg.
  2. Zij sprak ___ een zachte stem met de angstige klant.
  3. Hij luisterde ___ grote ogen naar het verhaal van zijn oma.
  4. Het gebeurde ___ een wonder, niemand had het verwacht.
  5. Zij werkt ___ veel zorg voor het lesprogramma.
  6. De klas luisterde ___ aandacht naar de gastdocent.
  7. ___ mijn mening heeft de gemeente te vroeg beslist.
  8. Hij nam het advies ___ een handvol zout, hij wilde het zelf uitzoeken.
  9. Zij was ___ blijdschap en tranen toen de diagnose goed was.
  10. Hij deed ___ een rustig voorbeeld de nieuwe methode voor.
  11. Zij sloot de deur ___ een klap, ze was boos.
  12. De brief is ___ de pen geschreven, mooi en netjes.