B1 · Prepositions
Preposities van de manier
Prepositions of manner: met, op, in, uit, naar.
- Hij fietst ___ de fiets naar het station, het was druk op de weg.
- Zij sprak ___ een zachte stem met de angstige klant.
- Hij luisterde ___ grote ogen naar het verhaal van zijn oma.
- Het gebeurde ___ een wonder, niemand had het verwacht.
- Zij werkt ___ veel zorg voor het lesprogramma.
- De klas luisterde ___ aandacht naar de gastdocent.
- ___ mijn mening heeft de gemeente te vroeg beslist.
- Hij nam het advies ___ een handvol zout, hij wilde het zelf uitzoeken.
- Zij was ___ blijdschap en tranen toen de diagnose goed was.
- Hij deed ___ een rustig voorbeeld de nieuwe methode voor.
- Zij sloot de deur ___ een klap, ze was boos.
- De brief is ___ de pen geschreven, mooi en netjes.