Learn Dutch
B1 · Prepositions

Tijdwoorden met apostrof

Time words with an apostrophe: vanavond, 's ochtends, tegenwoordig.

  1. Wij gaan ___ naar het toneelstuk in het dorpstheater.
  2. ___ de bakker vers brood, om zeven uur al.
  3. ___ veel mensen thuiswerken, dat is een grote verandering.
  4. Er is ___ een kunstmarkt in het park.
  5. ___ het dorp stil, je hoort alleen de uilen.
  6. ___ er een harde wind, het is onrustig op de kust.
  7. ___ de school gesloten, de kinderen zijn thuis.
  8. De huizen zijn ___ duur in deze buurt, dat valt op.
  9. ___ is er een afspraak bij de dokter, die is al gemaakt.
  10. De winkel is ___ open tot negen uur.
  11. ___ heb ik al boodschappen gedaan, het was rustig in de winkel.
  12. Wij eten ___ samen op het balkon, dat is prettig bij dit weer.