B1 · Prepositions
Tijdwoorden met apostrof
Time words with an apostrophe: vanavond, 's ochtends, tegenwoordig.
- Wij gaan ___ naar het toneelstuk in het dorpstheater.
- ___ de bakker vers brood, om zeven uur al.
- ___ veel mensen thuiswerken, dat is een grote verandering.
- Er is ___ een kunstmarkt in het park.
- ___ het dorp stil, je hoort alleen de uilen.
- ___ er een harde wind, het is onrustig op de kust.
- ___ de school gesloten, de kinderen zijn thuis.
- De huizen zijn ___ duur in deze buurt, dat valt op.
- ___ is er een afspraak bij de dokter, die is al gemaakt.
- De winkel is ___ open tot negen uur.
- ___ heb ik al boodschappen gedaan, het was rustig in de winkel.
- Wij eten ___ samen op het balkon, dat is prettig bij dit weer.