B1 · Prepositions
Voorzetsels in voorwaardelijke zinnen
Prepositions in conditional clauses: als, zodra, tenzij.
- ___ het morgen regent, maken we het feest binnen.
- ___ de zon opkomt, ziet de tuin er mooier uit.
- ___ het later wordt, sluiten we het lokaal.
- ___ je belt, kom ik even langs.
- ___ de huur is betaald, kunnen we de sleutels overhandigen.
- ___ de excursie niet doorgaat, krijgen we het geld terug.
- ___ hij niet belt, vertrekt de bus toch.
- ___ het licht uitgaat, wordt de hele straat donker.
- ___ de prijzen verder stijgen, zoeken we een andere oplossing.
- ___ je meeneemt, kun je blijven eten.
- ___ je een vraag hebt, kun je die meteen stellen.
- ___ het weer beter wordt, gaan we weer naar het strand.