Learn Dutch
B1 · Prepositions

Voorzetsels in voorwaardelijke zinnen

Prepositions in conditional clauses: als, zodra, tenzij.

  1. ___ het morgen regent, maken we het feest binnen.
  2. ___ de zon opkomt, ziet de tuin er mooier uit.
  3. ___ het later wordt, sluiten we het lokaal.
  4. ___ je belt, kom ik even langs.
  5. ___ de huur is betaald, kunnen we de sleutels overhandigen.
  6. ___ de excursie niet doorgaat, krijgen we het geld terug.
  7. ___ hij niet belt, vertrekt de bus toch.
  8. ___ het licht uitgaat, wordt de hele straat donker.
  9. ___ de prijzen verder stijgen, zoeken we een andere oplossing.
  10. ___ je meeneemt, kun je blijven eten.
  11. ___ je een vraag hebt, kun je die meteen stellen.
  12. ___ het weer beter wordt, gaan we weer naar het strand.