B1 · Prepositions
Plaatsen, streken en regio's
Prepositions with places and regions: in, op, aan, bij.
- Hij woont al tien jaar ___ Zeeland, hij kent het eiland goed.
- Wij vakantie vaak op ___ Texel, het is er heerlijk rustig.
- De kust ___ de Noordzee is in deze tijd van het jaar druk.
- De A2 loopt ___ de Maas, het landschap is er prachtig.
- Zij woont in het noorden van het land, in een dorpje ___ Groningen.
- De fietsroute loopt ___ de rand van het nationaal park.
- Wij zitten ___ een tafel met uitzicht op de haven.
- Het dorp ligt ___ de bergen, het is er stil en groen.
- De haven is een van de grootste ___ Noord-Europa.
- Op de kaart zie je dat het dorp ___ de rivier ligt.
- De grens van de provincie loopt ___ het ene bos en het andere.
- Hij is opgegroeid in een klein dorp ___ de oude kust.