Learn Dutch
B1 · Prepositions

Plaatsen, streken en regio's

Prepositions with places and regions: in, op, aan, bij.

  1. Hij woont al tien jaar ___ Zeeland, hij kent het eiland goed.
  2. Wij vakantie vaak op ___ Texel, het is er heerlijk rustig.
  3. De kust ___ de Noordzee is in deze tijd van het jaar druk.
  4. De A2 loopt ___ de Maas, het landschap is er prachtig.
  5. Zij woont in het noorden van het land, in een dorpje ___ Groningen.
  6. De fietsroute loopt ___ de rand van het nationaal park.
  7. Wij zitten ___ een tafel met uitzicht op de haven.
  8. Het dorp ligt ___ de bergen, het is er stil en groen.
  9. De haven is een van de grootste ___ Noord-Europa.
  10. Op de kaart zie je dat het dorp ___ de rivier ligt.
  11. De grens van de provincie loopt ___ het ene bos en het andere.
  12. Hij is opgegroeid in een klein dorp ___ de oude kust.