B1 · Prepositions
Vaste uitdrukkingen met voorzetsels
Fixed expressions: te laat, op tijd, in orde, aan de bak.
- We zijn te laat, we kwamen pas ___ de vergadering.
- De trein rijdt precies ___ tijd, hij staat nog op het perron.
- Alles is ___ orde, we kunnen beginnen met de vergadering.
- Zij verdient haar brood met de schoenen ___ de bak.
- Het werk staat ___ druk, er is veel te doen.
- Die jas is ___ goud, hij kost een fortuin.
- Hij doet het ___ zijn eigen zin, niet zoals de rest.
- De belofte is ___ de grond gevallen, hij houdt zich er niet aan.
- Zij stond er ___ voor, niemand wilde helpen.
- Het is belangrijk dat de afspraak ___ de agenda staat.
- Wij moeten zorgen ___ de veiligheid van de kinderen, dat is het allerbelangrijkste.
- Zij is ___ het spoor en doet alsof er niets aan de hand is.