Learn Dutch
B1 · Prepositions

Vaste uitdrukkingen met voorzetsels

Fixed expressions: te laat, op tijd, in orde, aan de bak.

  1. We zijn te laat, we kwamen pas ___ de vergadering.
  2. De trein rijdt precies ___ tijd, hij staat nog op het perron.
  3. Alles is ___ orde, we kunnen beginnen met de vergadering.
  4. Zij verdient haar brood met de schoenen ___ de bak.
  5. Het werk staat ___ druk, er is veel te doen.
  6. Die jas is ___ goud, hij kost een fortuin.
  7. Hij doet het ___ zijn eigen zin, niet zoals de rest.
  8. De belofte is ___ de grond gevallen, hij houdt zich er niet aan.
  9. Zij stond er ___ voor, niemand wilde helpen.
  10. Het is belangrijk dat de afspraak ___ de agenda staat.
  11. Wij moeten zorgen ___ de veiligheid van de kinderen, dat is het allerbelangrijkste.
  12. Zij is ___ het spoor en doet alsof er niets aan de hand is.