Learn Dutch
B1 · Prepositions

Voorzetsels bij maten en afstanden

Prepositions with measurements and distances: op, in, aan, over.

  1. De keuken is vijf meter ___ de grond af gemeten, het is een ruime ruimte.
  2. De tank van de auto is vol, er gaat nog honderd kilometer ___ op.
  3. De winkel ligt twee straten verder ___ het station, loop maar even door.
  4. Zwemmen is alleen mogelijk ___ het zwembad, het water is te koud.
  5. Het gras is al ___ de schoenen nat, het regent onophoudelijk.
  6. De afstand van huis ___ het station is ongeveer twee kilometer.
  7. Hij woont drie huizen verder ___ de school, je ziet hem vaak.
  8. De plant staat ___ het raam, ze heeft veel licht nodig.
  9. We zaten tegenover elkaar ___ een tafel van twee meter.
  10. De route van de stad ___ de kust is vijftig kilometer lang.
  11. Het dorp ligt tien kilometer ___ het centrum, dat is lopend te doen.
  12. De bloem is tien centimeter ___ de steel geplukt, weet je hoe dat kan?