B1 · Prepositions
Voorzetsels bij maten en afstanden
Prepositions with measurements and distances: op, in, aan, over.
- De keuken is vijf meter ___ de grond af gemeten, het is een ruime ruimte.
- De tank van de auto is vol, er gaat nog honderd kilometer ___ op.
- De winkel ligt twee straten verder ___ het station, loop maar even door.
- Zwemmen is alleen mogelijk ___ het zwembad, het water is te koud.
- Het gras is al ___ de schoenen nat, het regent onophoudelijk.
- De afstand van huis ___ het station is ongeveer twee kilometer.
- Hij woont drie huizen verder ___ de school, je ziet hem vaak.
- De plant staat ___ het raam, ze heeft veel licht nodig.
- We zaten tegenover elkaar ___ een tafel van twee meter.
- De route van de stad ___ de kust is vijftig kilometer lang.
- Het dorp ligt tien kilometer ___ het centrum, dat is lopend te doen.
- De bloem is tien centimeter ___ de steel geplukt, weet je hoe dat kan?