Learn Dutch
B1 · Prepositions

Adjectives & nouns + preposition

trots op, bang voor, behoefte aan…

  1. Ik ben erg trots ___ mijn dochter.
  2. Ze is erg geïnteresseerd ___ geschiedenis.
  3. Mijn zoon is bang ___ de tandarts.
  4. We zijn heel tevreden ___ de nieuwe keuken.
  5. Ben je jaloers ___ je broer?
  6. Er is veel vraag ___ betaalbare woningen.
  7. Heb je een oplossing ___ dit probleem?
  8. Ik heb geen behoefte ___ meer informatie.
  9. Ze heeft veel ervaring ___ jonge kinderen.
  10. Het verschil ___ deze twee woorden is klein.
  11. Hij is verliefd ___ zijn collega.
  12. De verhuurder is verantwoordelijk ___ groot onderhoud.