B1 · Prepositions
Er and waar + preposition
eraan, ermee, waarover, waar … op…
- Waar wacht je ___?
- Ik heb er vandaag echt geen zin ___.
- We hebben het er gisteren ___ gehad.
- Waar ben je zo bang ___?
- De nieuwe regels? Daar weet ik niets ___.
- Ik weet niet waar hij het ___ heeft.
- Ze heeft een nieuwe fiets en ze is er heel blij ___.
- Dit is de pen ___ ik mijn examen heb geschreven.
- Denk ___ dat je morgen je paspoort meeneemt!
- Hij is gestopt met roken en hij is er trots ___.
- Het onderwerp ___ we het gisteren over hadden, was interessant.
- Ik ben ___ niet tegen, maar ik vind het wel duur.