Learn Dutch
B1 · Prepositions

Er and waar + preposition

eraan, ermee, waarover, waar … op…

  1. Waar wacht je ___?
  2. Ik heb er vandaag echt geen zin ___.
  3. We hebben het er gisteren ___ gehad.
  4. Waar ben je zo bang ___?
  5. De nieuwe regels? Daar weet ik niets ___.
  6. Ik weet niet waar hij het ___ heeft.
  7. Ze heeft een nieuwe fiets en ze is er heel blij ___.
  8. Dit is de pen ___ ik mijn examen heb geschreven.
  9. Denk ___ dat je morgen je paspoort meeneemt!
  10. Hij is gestopt met roken en hij is er trots ___.
  11. Het onderwerp ___ we het gisteren over hadden, was interessant.
  12. Ik ben ___ niet tegen, maar ik vind het wel duur.