B1 · Prepositions
Nouns + fixed preposition
de aanleiding voor, het gevaar van, een middel tegen…
- De aanleiding ___ het gesprek was een klacht over het lawaai.
- Het grootste gevaar ___ fietsen in de regen is het gladde wegdek.
- Is er een middel ___ de hoofdpijn?
- De reden ___ zijn plotselinge vertrek blijft onduidelijk.
- Wist je dat er een oplossing ___ dit probleem is?
- Het verschil ___ beide aanbiedingen is het uurtarief.
- Er is veel vraag ___ kleine woningen in deze straat.
- De toegang ___ het zwembad kost zes euro per dag.
- Hoeveel hebt je betaald ___ de kaart?
- Haar baan hangt af ___ haar taalcoach.
- We hebben het nog niet gesproken ___ het voorstel voor de buurt.
- Die heer is de eigenaar ___ het pand naast de kerk.