Learn Dutch
B1 · Prepositions

Nouns + fixed preposition

de aanleiding voor, het gevaar van, een middel tegen…

  1. De aanleiding ___ het gesprek was een klacht over het lawaai.
  2. Het grootste gevaar ___ fietsen in de regen is het gladde wegdek.
  3. Is er een middel ___ de hoofdpijn?
  4. De reden ___ zijn plotselinge vertrek blijft onduidelijk.
  5. Wist je dat er een oplossing ___ dit probleem is?
  6. Het verschil ___ beide aanbiedingen is het uurtarief.
  7. Er is veel vraag ___ kleine woningen in deze straat.
  8. De toegang ___ het zwembad kost zes euro per dag.
  9. Hoeveel hebt je betaald ___ de kaart?
  10. Haar baan hangt af ___ haar taalcoach.
  11. We hebben het nog niet gesproken ___ het voorstel voor de buurt.
  12. Die heer is de eigenaar ___ het pand naast de kerk.