Learn Dutch
B1 · Prepositions

Time and place in a story

tijdens, tegen, in de buurt van, halverwege…

  1. Tijdens ___ eerste maand in Utrecht voelde ze zich nog een beetje vreemd.
  2. We vertrekken ___ zeven uur in de ochtend, vlak voor de ochtendspits.
  3. Het zwembad ligt vlakbij het station, in ___ buurt van het centrum.
  4. Halverwege ___ tocht naar de kust begon het te regenen.
  5. Kort ___ de afspraak belde ze nog even terug.
  6. Tijdens ___ lockdown bleven de kinderen thuis.
  7. De eerste koopavond was ___ dinsdag 12 december.
  8. De avond voor Kerst valt dit jaar ___ een vrijdag.
  9. We zaten ___ avond bij elkaar, tot het bijna middernacht was.
  10. Tijdens ___ vakantie ga ik naar mijn oma in Limburg.
  11. In ___ buurt van het station is alles nieuw gebouwd.
  12. Tot ___ terugkeer bleef hij in het buitenland werken.