B1 · Prepositions
Time and place in a story
tijdens, tegen, in de buurt van, halverwege…
- Tijdens ___ eerste maand in Utrecht voelde ze zich nog een beetje vreemd.
- We vertrekken ___ zeven uur in de ochtend, vlak voor de ochtendspits.
- Het zwembad ligt vlakbij het station, in ___ buurt van het centrum.
- Halverwege ___ tocht naar de kust begon het te regenen.
- Kort ___ de afspraak belde ze nog even terug.
- Tijdens ___ lockdown bleven de kinderen thuis.
- De eerste koopavond was ___ dinsdag 12 december.
- De avond voor Kerst valt dit jaar ___ een vrijdag.
- We zaten ___ avond bij elkaar, tot het bijna middernacht was.
- Tijdens ___ vakantie ga ik naar mijn oma in Limburg.
- In ___ buurt van het station is alles nieuw gebouwd.
- Tot ___ terugkeer bleef hij in het buitenland werken.