B1 · Prepositions
Verbs + preposition in a sentence
blijven op, aanvragen voor, wennen aan…
- De buurtbewoner bleef ___ de rommel in de gang zeuren.
- Mijn zus heeft een zorgverlof ___ aangevraagd.
- Ik heb me al lang gewend ___ het Nederlandse weer.
- De vergadering gaat morgen niet ___ de begroting.
- We hebben ons vorige week ___ de cursus aangemeld.
- Ze heeft de hele ochtend ___ de klanten geholpen.
- We moeten de huur ___ de eerste van de maand betalen.
- De buurt is veilig ___ om 's avonds te wandelen.
- Wij wachten al een half uur ___ de bus.
- Ik ben trots ___ mijn dochter.
- De buurt houdt de bewoners op de hoogte ___ de nieuwe plannen.
- We moeten nog een keuze ___ de indeling van de wijk maken.