Learn Dutch
B1 · Prepositions

Verbs + preposition in a sentence

blijven op, aanvragen voor, wennen aan…

  1. De buurtbewoner bleef ___ de rommel in de gang zeuren.
  2. Mijn zus heeft een zorgverlof ___ aangevraagd.
  3. Ik heb me al lang gewend ___ het Nederlandse weer.
  4. De vergadering gaat morgen niet ___ de begroting.
  5. We hebben ons vorige week ___ de cursus aangemeld.
  6. Ze heeft de hele ochtend ___ de klanten geholpen.
  7. We moeten de huur ___ de eerste van de maand betalen.
  8. De buurt is veilig ___ om 's avonds te wandelen.
  9. Wij wachten al een half uur ___ de bus.
  10. Ik ben trots ___ mijn dochter.
  11. De buurt houdt de bewoners op de hoogte ___ de nieuwe plannen.
  12. We moeten nog een keuze ___ de indeling van de wijk maken.