B1 · Prepositions
More adjectives & nouns + preposition
gek op, goed in, gewend aan, last van…
- Ik ben gek ___ Italiaans eten.
- Ze is heel goed ___ wiskunde.
- Hij is boos ___ zijn broer.
- Ik ben niet gewend ___ zulk koud weer.
- Mijn zoon is allergisch ___ noten.
- Te veel suiker is slecht ___ je tanden.
- Er is een groot tekort ___ leraren.
- Ik heb een hekel ___ afwassen.
- Ze is getrouwd ___ een Belg.
- Ik ben erg benieuwd ___ de uitslag.
- Het is typisch ___ hem dat hij te laat komt.
- Mijn opa heeft veel last ___ zijn rug.