Learn Dutch
B1 · Prepositions

More adjectives & nouns + preposition

gek op, goed in, gewend aan, last van…

  1. Ik ben gek ___ Italiaans eten.
  2. Ze is heel goed ___ wiskunde.
  3. Hij is boos ___ zijn broer.
  4. Ik ben niet gewend ___ zulk koud weer.
  5. Mijn zoon is allergisch ___ noten.
  6. Te veel suiker is slecht ___ je tanden.
  7. Er is een groot tekort ___ leraren.
  8. Ik heb een hekel ___ afwassen.
  9. Ze is getrouwd ___ een Belg.
  10. Ik ben erg benieuwd ___ de uitslag.
  11. Het is typisch ___ hem dat hij te laat komt.
  12. Mijn opa heeft veel last ___ zijn rug.