Learn Dutch
B1 · Prepositions

Place & movement

aan de overkant, op het platteland, om de hoek, bij vs naar…

  1. De kat sprong ___ de tafel.
  2. Ze woont ___ de overkant van de straat.
  3. Hij zat de hele dag ___ de computer.
  4. We zijn ___ de brug naar het centrum gefietst.
  5. Het station ligt ___ het centrum en de universiteit.
  6. Mijn ouders wonen ___ het platteland.
  7. We gaan dit weekend ___ mijn ouders.
  8. Ik logeer deze week ___ mijn zus.
  9. Ze keek ___ het raam naar buiten.
  10. Het vliegtuig vloog laag ___ de stad.
  11. Opeens kwam er een fietser ___ de hoek.
  12. Ons kantoor is ___ de derde verdieping.