B1 · Prepositions
Place & movement
aan de overkant, op het platteland, om de hoek, bij vs naar…
- De kat sprong ___ de tafel.
- Ze woont ___ de overkant van de straat.
- Hij zat de hele dag ___ de computer.
- We zijn ___ de brug naar het centrum gefietst.
- Het station ligt ___ het centrum en de universiteit.
- Mijn ouders wonen ___ het platteland.
- We gaan dit weekend ___ mijn ouders.
- Ik logeer deze week ___ mijn zus.
- Ze keek ___ het raam naar buiten.
- Het vliegtuig vloog laag ___ de stad.
- Opeens kwam er een fietser ___ de hoek.
- Ons kantoor is ___ de derde verdieping.