B1 · Prepositions
More verbs + preposition
uitkijken naar, rekenen op, bestaan uit, lachen om…
- Ik kijk echt uit ___ de vakantie.
- Ze heeft lang gezocht ___ een betaalbare woning.
- Mag ik even ___ jullie aandacht vragen?
- We moeten nog beslissen ___ de nieuwe planning.
- Ik reken ___ jullie hulp.
- Het boek gaat ___ een meisje dat in de oorlog leeft.
- Iedereen lachte ___ zijn grap.
- Mijn dochter is geslaagd ___ haar rijexamen.
- Ze bedankte de buren ___ de bloemen.
- De cursus bestaat ___ tien lessen.
- Ik droom al jaren ___ een huis aan zee.
- Ik schrok ___ de harde knal.