Learn Dutch
B1 · Prepositions

More verbs + preposition

uitkijken naar, rekenen op, bestaan uit, lachen om…

  1. Ik kijk echt uit ___ de vakantie.
  2. Ze heeft lang gezocht ___ een betaalbare woning.
  3. Mag ik even ___ jullie aandacht vragen?
  4. We moeten nog beslissen ___ de nieuwe planning.
  5. Ik reken ___ jullie hulp.
  6. Het boek gaat ___ een meisje dat in de oorlog leeft.
  7. Iedereen lachte ___ zijn grap.
  8. Mijn dochter is geslaagd ___ haar rijexamen.
  9. Ze bedankte de buren ___ de bloemen.
  10. De cursus bestaat ___ tien lessen.
  11. Ik droom al jaren ___ een huis aan zee.
  12. Ik schrok ___ de harde knal.