Learn Dutch
B1 · Prepositions

Prepositions of time

op, in, om, sinds, over, door de week…

  1. De winkel is ___ zondag gesloten.
  2. Mijn oma is ___ 1948 geboren.
  3. De vergadering begint ___ drie uur.
  4. We gaan ___ juli naar Frankrijk.
  5. Ik woon hier al ___ 2015.
  6. Kun je het rapport ___ vrijdag afmaken?
  7. Ze werkt ___ maandag tot en met donderdag.
  8. Ik zie je ___ een week.
  9. De bibliotheek is ___ de week open tot acht uur.
  10. Mijn verjaardag valt dit jaar ___ een woensdag.
  11. Hij komt nooit ___ tijd.
  12. We gaan ___ Pasen naar mijn schoonouders.