B1 · Prepositions
Prepositions of time
op, in, om, sinds, over, door de week…
- De winkel is ___ zondag gesloten.
- Mijn oma is ___ 1948 geboren.
- De vergadering begint ___ drie uur.
- We gaan ___ juli naar Frankrijk.
- Ik woon hier al ___ 2015.
- Kun je het rapport ___ vrijdag afmaken?
- Ze werkt ___ maandag tot en met donderdag.
- Ik zie je ___ een week.
- De bibliotheek is ___ de week open tot acht uur.
- Mijn verjaardag valt dit jaar ___ een woensdag.
- Hij komt nooit ___ tijd.
- We gaan ___ Pasen naar mijn schoonouders.