Learn Dutch
B1 · Prepositions

Verbs + preposition

wachten op, denken aan, zorgen voor…

  1. Ik wacht al een half uur ___ de bus.
  2. Denk jij nog wel eens ___ je oude school?
  3. We hebben het gisteren ___ de vakantie gehad.
  4. Ze lijkt erg ___ haar moeder.
  5. Kun jij morgen ___ de kinderen zorgen?
  6. Ik ben het helemaal ___ je eens.
  7. Ze heeft zich ___ een cursus Spaans aangemeld.
  8. Ik houd niet ___ lange vergaderingen.
  9. Hij klaagt altijd ___ het weer.
  10. Mijn vader is vorig jaar ___ roken gestopt.
  11. Het hangt ___ het weer af of we gaan fietsen.
  12. Ik twijfel ___ zijn verhaal.