B1 · Prepositions
Verbs + preposition
wachten op, denken aan, zorgen voor…
- Ik wacht al een half uur ___ de bus.
- Denk jij nog wel eens ___ je oude school?
- We hebben het gisteren ___ de vakantie gehad.
- Ze lijkt erg ___ haar moeder.
- Kun jij morgen ___ de kinderen zorgen?
- Ik ben het helemaal ___ je eens.
- Ze heeft zich ___ een cursus Spaans aangemeld.
- Ik houd niet ___ lange vergaderingen.
- Hij klaagt altijd ___ het weer.
- Mijn vader is vorig jaar ___ roken gestopt.
- Het hangt ___ het weer af of we gaan fietsen.
- Ik twijfel ___ zijn verhaal.