Learn Dutch
B1 · Verbs

The four uses of er

Existence, it or them, of it, and there.

  1. Op de tafel ___ nog een glas water. (liggen)
  2. In de tuin ___ drie appelbomen. (staan)
  3. Bij de ingang ___ een bordje met de huisregels. (staan)
  4. Die jas is mooi. Ik heb er ook een ___. (kopen)
  5. Ze had veel vragen, maar ik heb er maar één ___. (beantwoorden)
  6. Op die website staat veel. Ik heb er iets ___ gelezen.
  7. Ik heb er spijt ___. (hebben)
  8. Ik heb er al lang genoeg ___. (hebben)
  9. Ik ben er heel blij ___. (zijn)
  10. Hij praat er niet ___. (praten)
  11. Mijn ouders wonen in Enschede. Ik ___ er elk jaar met kerst. (gaan)
  12. Toen we aankwamen, ___ er overal mensen. (zijn)