B1 · Verbs
The four uses of er
Existence, it or them, of it, and there.
- Op de tafel ___ nog een glas water. (liggen)
- In de tuin ___ drie appelbomen. (staan)
- Bij de ingang ___ een bordje met de huisregels. (staan)
- Die jas is mooi. Ik heb er ook een ___. (kopen)
- Ze had veel vragen, maar ik heb er maar één ___. (beantwoorden)
- Op die website staat veel. Ik heb er iets ___ gelezen.
- Ik heb er spijt ___. (hebben)
- Ik heb er al lang genoeg ___. (hebben)
- Ik ben er heel blij ___. (zijn)
- Hij praat er niet ___. (praten)
- Mijn ouders wonen in Enschede. Ik ___ er elk jaar met kerst. (gaan)
- Toen we aankwamen, ___ er overal mensen. (zijn)