B1 · Verbs
Er wel of niets van hebben
Wel = toch, niets = helemaal niet: er wel van genieten.
- We hebben eten besteld, maar ik heb er ___ van gegeten.
- De film was echt spannend. Ik heb er ___ van genoten. (genieten)
- Ik heb de brief wel gelezen, maar ik heb er ___ van begrepen. (begrijpen)
- Ze heeft het boek wel gekregen, maar ze heeft er ___ van gebruikt. (gebruiken)
- Die excursie was duur, maar we hebben er wel ___ van gehad.
- De opgave was echt moeilijk, ik heb er ___ van begrepen. (begrijpen)
- Ik heb er ___ van gehoord dat de winkel sluit. (horen)
- Ik wilde er meer ___. (weten)
- Ze ___ er veel van. (houden)
- We hebben er ___ over gesproken. (spreken)
- Ze was er zeer ___ dat het plan zou lukken.
- We zullen er ___ van horen. (horen)