Learn Dutch
B1 · Verbs

Er wel of niets van hebben

Wel = toch, niets = helemaal niet: er wel van genieten.

  1. We hebben eten besteld, maar ik heb er ___ van gegeten.
  2. De film was echt spannend. Ik heb er ___ van genoten. (genieten)
  3. Ik heb de brief wel gelezen, maar ik heb er ___ van begrepen. (begrijpen)
  4. Ze heeft het boek wel gekregen, maar ze heeft er ___ van gebruikt. (gebruiken)
  5. Die excursie was duur, maar we hebben er wel ___ van gehad.
  6. De opgave was echt moeilijk, ik heb er ___ van begrepen. (begrijpen)
  7. Ik heb er ___ van gehoord dat de winkel sluit. (horen)
  8. Ik wilde er meer ___. (weten)
  9. Ze ___ er veel van. (houden)
  10. We hebben er ___ over gesproken. (spreken)
  11. Ze was er zeer ___ dat het plan zou lukken.
  12. We zullen er ___ van horen. (horen)