Learn Dutch
B1 · Verbs

Er ligt of er staat

Lying down (liggen) or standing up (staan) in the scene.

  1. Er ___ een appel op de keukentafel. (liggen)
  2. Er ___ een fiets tegen de muur. (staan)
  3. Er ___ een toren aan de horizon. (staan)
  4. Er ___ een krant op het bankje. (liggen)
  5. Er ___ drie boeken op de vensterbank. (liggen)
  6. Er ___ twee planten in de hoek van de kamer. (staan)
  7. In de vitrine ___ verschillende soorten kaas. (liggen)
  8. Buiten het restaurant ___ een lange rij mensen. (staan)
  9. Op die plek ___ vroeger een oude schuur. (liggen)
  10. Er ___ een fout in mijn opdracht. (zitten)
  11. Volgens de inspectie ___ er gebreken aan het pand. (zijn)
  12. Er ___ in 1990 nog geen mobiele telefoons in Nederland. (zijn)