B1 · Verbs
Er ligt of er staat
Lying down (liggen) or standing up (staan) in the scene.
- Er ___ een appel op de keukentafel. (liggen)
- Er ___ een fiets tegen de muur. (staan)
- Er ___ een toren aan de horizon. (staan)
- Er ___ een krant op het bankje. (liggen)
- Er ___ drie boeken op de vensterbank. (liggen)
- Er ___ twee planten in de hoek van de kamer. (staan)
- In de vitrine ___ verschillende soorten kaas. (liggen)
- Buiten het restaurant ___ een lange rij mensen. (staan)
- Op die plek ___ vroeger een oude schuur. (liggen)
- Er ___ een fout in mijn opdracht. (zitten)
- Volgens de inspectie ___ er gebreken aan het pand. (zijn)
- Er ___ in 1990 nog geen mobiele telefoons in Nederland. (zijn)