Learn Dutch
B1 · Verbs

Relative clauses with wie

Wie for people, and wiens for 'whose'.

  1. ___ heb je gisteren in de bibliotheek gezien?
  2. Ik weet niet ___ dit gedaan heeft.
  3. Dat was ___ de hele tijd stil bleef.
  4. De jongen ___ moeder is een goede kokin.
  5. De vrouw ___ dochter in Utrecht studeert woont in Delft.
  6. ___ van jullie wil er die avond bij?
  7. Ik begrijp niet ___ je bedoelt met al die uitleg.
  8. Het is ___ altijd het laatst is.
  9. Ik vroeg ___ de brief al had afgegeven.
  10. Niemand weet precies ___ de sleutel van het kantoor heeft.
  11. ___ je hiervan op de hoogte wilt stellen, laat het me weten.
  12. ___ er vanavond langskomen, laat het weten.