B1 · Verbs
Relative clauses with wie
Wie for people, and wiens for 'whose'.
- ___ heb je gisteren in de bibliotheek gezien?
- Ik weet niet ___ dit gedaan heeft.
- Dat was ___ de hele tijd stil bleef.
- De jongen ___ moeder is een goede kokin.
- De vrouw ___ dochter in Utrecht studeert woont in Delft.
- ___ van jullie wil er die avond bij?
- Ik begrijp niet ___ je bedoelt met al die uitleg.
- Het is ___ altijd het laatst is.
- Ik vroeg ___ de brief al had afgegeven.
- Niemand weet precies ___ de sleutel van het kantoor heeft.
- ___ je hiervan op de hoogte wilt stellen, laat het me weten.
- ___ er vanavond langskomen, laat het weten.