B1 · Verbs
Relative clauses with waar and waarom
Waar for places and ideas, waarom for reasons.
- Dit is de winkel ___ we altijd onze boodschappen halen.
- Ik herinner me het huis ___ we opgroeide.
- Dat is de reden ___ ik zo laat kom.
- Weet je de reden ___ hij niet is komen opdagen?
- De stad ___ ik vandaag woon, heeft een mooie markt.
- De zaak ___ hij al een tijd mee bezig is, is belangrijk.
- Ik snap niet ___ je zo boos bent.
- De bus ___ we naar het station gaan, vertrekt om tien uur.
- Er is een duidelijke reden ___ we het feest hebben afgelast.
- Hoe werkt dat systeem ___ jullie hebben ontwikkeld?
- Dat is juist het punt ___ ik je over wilde praten.
- Ik begrijp ___ hij die opmerking maakte.