Learn Dutch
B1 · Verbs

Relative clauses with waar and waarom

Waar for places and ideas, waarom for reasons.

  1. Dit is de winkel ___ we altijd onze boodschappen halen.
  2. Ik herinner me het huis ___ we opgroeide.
  3. Dat is de reden ___ ik zo laat kom.
  4. Weet je de reden ___ hij niet is komen opdagen?
  5. De stad ___ ik vandaag woon, heeft een mooie markt.
  6. De zaak ___ hij al een tijd mee bezig is, is belangrijk.
  7. Ik snap niet ___ je zo boos bent.
  8. De bus ___ we naar het station gaan, vertrekt om tien uur.
  9. Er is een duidelijke reden ___ we het feest hebben afgelast.
  10. Hoe werkt dat systeem ___ jullie hebben ontwikkeld?
  11. Dat is juist het punt ___ ik je over wilde praten.
  12. Ik begrijp ___ hij die opmerking maakte.