Learn Dutch
B1 · Verbs

Relative clauses with a preposition

Met wie, waar, waarmee, waardoor: prepositions in relatives.

  1. De man ___ ik net gesproken heb, is de eigenaar.
  2. Het restaurant ___ we gisteren gegeten hebben, was helemaal vol.
  3. De vrouw ___ ik getrouwd ben, zit in de achterste rij.
  4. De deur ___ je binnenkomt, is kapot.
  5. Het is een vriend ___ ik alles kan zeggen.
  6. De fiets ___ ik naar school fietste, is gestolen.
  7. Die reden ___ ik het gedaan heb, blijft tussen ons.
  8. De vriendin ___ ik samenwoon, werkt in de zorg.
  9. Er is niets ___ je je zorgen hoeft te maken.
  10. De tentoonstelling ___ we met z'n allen naartoe gaan, opent in mei.
  11. Het is een onderwerp ___ we in deze cursus over praten.
  12. Ik heb geen idee ___ hij zo laat heeft willen komen.