B1 · Verbs
Relative clauses with a preposition
Met wie, waar, waarmee, waardoor: prepositions in relatives.
- De man ___ ik net gesproken heb, is de eigenaar.
- Het restaurant ___ we gisteren gegeten hebben, was helemaal vol.
- De vrouw ___ ik getrouwd ben, zit in de achterste rij.
- De deur ___ je binnenkomt, is kapot.
- Het is een vriend ___ ik alles kan zeggen.
- De fiets ___ ik naar school fietste, is gestolen.
- Die reden ___ ik het gedaan heb, blijft tussen ons.
- De vriendin ___ ik samenwoon, werkt in de zorg.
- Er is niets ___ je je zorgen hoeft te maken.
- De tentoonstelling ___ we met z'n allen naartoe gaan, opent in mei.
- Het is een onderwerp ___ we in deze cursus over praten.
- Ik heb geen idee ___ hij zo laat heeft willen komen.