Learn Dutch
B1 · Verbs

Passive without a doer

Er wordt gewerkt: the person who acts is not mentioned.

  1. Er ___ in dit kantoor hard gewerkt. (werken)
  2. Er ___ gisteren een fiets gestolen. (stelen)
  3. In Nederland ___ veel fietsen gestolen. (stelen)
  4. Er ___ om de tafel gelachen. (lachen)
  5. Er ___ dit jaar veel nieuwe huizen gebouwd. (bouwen)
  6. Elke dag wordt er in de kantine ___. (koken)
  7. Toen ik langs het huis liep, ___ er in de tuin gewerkt. (werken)
  8. Er ___ in Nederland veel verschillende talen gesproken. (spreken)
  9. Er is dat jaar slecht ___. (slapen)
  10. Er ___ om die reden niets gezegd. (zeggen)
  11. Er ___ in dat stadium veel gezongen en gedanst. (zingen)
  12. Er ___ al jaren over die taal gesproken. (spreken)