Learn Dutch
B1 · Verbs

Worden or zijn in the passive

Kies de juiste vorm van worden of zijn in het passief.

  1. Het contract is gisteren al ___. (tekenen)
  2. De muren van de gang ___ om de drie jaar geschilderd. (worden)
  3. Het huis was al ___ toen we het bekeken. (verkopen)
  4. De nieuwe bibliotheek wordt volgend jaar ___. (openen)
  5. De brief wordt morgen ___ door de post. (versturen)
  6. Er ___ vorig jaar een nieuwe bibliotheek geopend. (zijn)
  7. De hybride werkvloer ___ al ingevoerd. (zijn)
  8. De resultaten worden pas volgende week ___. (bekendmaken)
  9. Toen ik er aankwam, ___ de zaal al gedecoreerd. (zijn)
  10. Er zijn veel bomen ___. (planten)
  11. Het gras moet elke week ___. (maaien)
  12. De oorzaak van het ongeluk is nog niet ___. (onderzoeken)