B1 · Verbs
Om … te: saying why
Om … te with a purpose, and the word order around it.
- Ik bel even om te ___ of de tafel vrij is. (vragen)
- We kwamen te laat om nog mee te ___. (eten)
- Ze stond op om het kind te ___. (ophalen)
- Ik heb te weinig tijd om alles te ___. (maken)
- Omdat de winkel dicht was, gingen we naar huis om te ___. (rusten)
- Het is belangrijker om goed te ___ dan om snel klaar te zijn. (werken)
- Hij stelde voor om de vergadering te ___. (uitstellen)
- We gaan naar de markt om boodschappen te ___. (doen)
- Ik heb geen tijd om vandaag nog te ___. (koken)
- Hij riep de kok om het menu te ___. (brengen)
- Om de file te ___ zijn we een uur eerder vertrokken. (vermijden)
- We hebben besloten om de oude tafel te ___. (vervangen)