Learn Dutch
B1 · Verbs

Om … te: saying why

Om … te with a purpose, and the word order around it.

  1. Ik bel even om te ___ of de tafel vrij is. (vragen)
  2. We kwamen te laat om nog mee te ___. (eten)
  3. Ze stond op om het kind te ___. (ophalen)
  4. Ik heb te weinig tijd om alles te ___. (maken)
  5. Omdat de winkel dicht was, gingen we naar huis om te ___. (rusten)
  6. Het is belangrijker om goed te ___ dan om snel klaar te zijn. (werken)
  7. Hij stelde voor om de vergadering te ___. (uitstellen)
  8. We gaan naar de markt om boodschappen te ___. (doen)
  9. Ik heb geen tijd om vandaag nog te ___. (koken)
  10. Hij riep de kok om het menu te ___. (brengen)
  11. Om de file te ___ zijn we een uur eerder vertrokken. (vermijden)
  12. We hebben besloten om de oude tafel te ___. (vervangen)