Learn Dutch
B1 · Verbs

Reflexive pronouns: me, je, zich, ons

Which reflexive pronoun goes with which subject?

  1. Jullie vergissen ___. (vergissen)
  2. Mijn zus en ik hebben ___ al vaak uitgelachen. (uitlachen)
  3. Ze hebben ___ voor de vakantie ingepakt. (inpakken)
  4. Vind je het goed dat ik ___ hier even wegloop? (weglopen)
  5. Hij praatte tegen ___. (praten)
  6. We moeten ___ haasten, de bus vertrekt om zes uur. (hasten)
  7. Ze herinnert ___ die zomer niet meer. (herinneren)
  8. Kunt u zich ___ voor de cursus? (aanmelden)
  9. We moeten ___ afvragen wat we eigenlijk willen. (afvragen)
  10. Jij moet ___ niet zo druk maken. (maken)
  11. Hij waste ___ de hele ochtend. (wassen)
  12. Ik heb het ___ gedaan. (doen)