B1 · Verbs
Reflexive pronouns: me, je, zich, ons
Which reflexive pronoun goes with which subject?
- Jullie vergissen ___. (vergissen)
- Mijn zus en ik hebben ___ al vaak uitgelachen. (uitlachen)
- Ze hebben ___ voor de vakantie ingepakt. (inpakken)
- Vind je het goed dat ik ___ hier even wegloop? (weglopen)
- Hij praatte tegen ___. (praten)
- We moeten ___ haasten, de bus vertrekt om zes uur. (hasten)
- Ze herinnert ___ die zomer niet meer. (herinneren)
- Kunt u zich ___ voor de cursus? (aanmelden)
- We moeten ___ afvragen wat we eigenlijk willen. (afvragen)
- Jij moet ___ niet zo druk maken. (maken)
- Hij waste ___ de hele ochtend. (wassen)
- Ik heb het ___ gedaan. (doen)