Learn Dutch
B1 · Verbs

Zou + zijn: guesses and suppositions

Zou + zijn for guesses, doubts and what someone might be.

  1. Hij zou wel de directeur ___. (zijn)
  2. Dat zou een slimme zet ___. (zijn)
  3. Ik dacht dat het een oude boerderij ___. (zijn)
  4. Dat schilderij zou van Rembrandt ___. (zijn)
  5. Het zou een wonder ___ als het morgen mooi weer is. (zijn)
  6. Hij zou de oudste in de klas ___. (zijn)
  7. Voor zover ik weet zou de winkel al gesloten ___. (zijn)
  8. Het zou toch prettig ___ als we konden blijven. (zijn)
  9. Zou het niet verstandig ___ om nu te vertrekken? (zijn)
  10. Dat zou toch jammer ___. (zijn)
  11. Ik had niet gedacht dat de zaak zo groot zou ___. (zijn)
  12. Wie zou dat toch geweest ___? (zijn)