B1 · Verbs
Zou + zijn: guesses and suppositions
Zou + zijn for guesses, doubts and what someone might be.
- Hij zou wel de directeur ___. (zijn)
- Dat zou een slimme zet ___. (zijn)
- Ik dacht dat het een oude boerderij ___. (zijn)
- Dat schilderij zou van Rembrandt ___. (zijn)
- Het zou een wonder ___ als het morgen mooi weer is. (zijn)
- Hij zou de oudste in de klas ___. (zijn)
- Voor zover ik weet zou de winkel al gesloten ___. (zijn)
- Het zou toch prettig ___ als we konden blijven. (zijn)
- Zou het niet verstandig ___ om nu te vertrekken? (zijn)
- Dat zou toch jammer ___. (zijn)
- Ik had niet gedacht dat de zaak zo groot zou ___. (zijn)
- Wie zou dat toch geweest ___? (zijn)