Learn Dutch
B1 · Verbs

Past perfect: verb order in clauses

Dat hij was vertrokken of dat hij vertrokken was.

  1. Toen we bij het station aankwamen, zagen we dat hij ___. (vertrekken)
  2. Ze zei dat de vergadering al ___. (beginnen)
  3. Ik dacht dat zij nooit daar had ___. (zijn)
  4. Hij vroeg of we de film al ___. (zien)
  5. De politie zei dat de man het huis al had ___. (verlaten)
  6. Toen ik de rekening vond, begreep ik dat ik het abonnement al had ___. (opzeggen)
  7. We wisten dat de oude mevrouw al ___. (verhuizen)
  8. Mijn collega vertelde dat hij het verslag al had ___. (afgeven)
  9. Toen de politie kwam, bleek dat er al een botsing ___. (gebeuren)
  10. Hij vroeg of ik de brief al had ___. (lezen)
  11. De directeur zei dat de offertes al ___. (verzenden)
  12. Ik had gehoord dat het station al ___. (verbouwen)