B1 · Verbs
Past perfect: verb order in clauses
Dat hij was vertrokken of dat hij vertrokken was.
- Toen we bij het station aankwamen, zagen we dat hij ___. (vertrekken)
- Ze zei dat de vergadering al ___. (beginnen)
- Ik dacht dat zij nooit daar had ___. (zijn)
- Hij vroeg of we de film al ___. (zien)
- De politie zei dat de man het huis al had ___. (verlaten)
- Toen ik de rekening vond, begreep ik dat ik het abonnement al had ___. (opzeggen)
- We wisten dat de oude mevrouw al ___. (verhuizen)
- Mijn collega vertelde dat hij het verslag al had ___. (afgeven)
- Toen de politie kwam, bleek dat er al een botsing ___. (gebeuren)
- Hij vroeg of ik de brief al had ___. (lezen)
- De directeur zei dat de offertes al ___. (verzenden)
- Ik had gehoord dat het station al ___. (verbouwen)