B1 · Verbs
Verb clusters: gaan + infinitive
Gaat u mee? Gaan we even zwemmen?
- We ___ volgende week naar het strand. (gaan)
- Ga je vanavond mee ___? (gaan)
- We zullen vanavond even ___. (bellen)
- Ze gaat elke week naar de markt om verse bloemen te ___. (kopen)
- Ze gaat niet mee, ze blijft ___. (thuisblijven)
- We gaan morgen het verhuurhuis ___ en daarna eten. (bezichtigen)
- Gaat u mee ___, of heeft u een ander plan? (gaan)
- Het regent, dus we gaan thuis ___ en films kijken. (blijven)
- Ik ga toch even ___ voordat ik naar huis ga. (bellen)
- Mijn broer gaat volgens mij toch niet ___ studeren. (gaan)
- We gaan dit weekend het zeilbootje ___ halen. (ophalen)
- Ga je liever mee naar het zwembad of ___ je thuis? (blijven)