Learn Dutch
B1 · Verbs

Verb clusters: gaan + infinitive

Gaat u mee? Gaan we even zwemmen?

  1. We ___ volgende week naar het strand. (gaan)
  2. Ga je vanavond mee ___? (gaan)
  3. We zullen vanavond even ___. (bellen)
  4. Ze gaat elke week naar de markt om verse bloemen te ___. (kopen)
  5. Ze gaat niet mee, ze blijft ___. (thuisblijven)
  6. We gaan morgen het verhuurhuis ___ en daarna eten. (bezichtigen)
  7. Gaat u mee ___, of heeft u een ander plan? (gaan)
  8. Het regent, dus we gaan thuis ___ en films kijken. (blijven)
  9. Ik ga toch even ___ voordat ik naar huis ga. (bellen)
  10. Mijn broer gaat volgens mij toch niet ___ studeren. (gaan)
  11. We gaan dit weekend het zeilbootje ___ halen. (ophalen)
  12. Ga je liever mee naar het zwembad of ___ je thuis? (blijven)