Learn Dutch
B1 · Verbs

Verb clusters: willen and moeten

Wil je …? Moet ik …? Two verbs at the end.

  1. Wil je vanavond langskomen ___? (komen)
  2. Ik moet je iets ___ over de huur. (zeggen)
  3. Ze vroeg of ik met haar mee wilde ___ naar het strand. (gaan)
  4. We ___ vóór vrijdag de aanvraag invullen. (moeten)
  5. Hij wil ___ helpen, maar hij heeft geen tijd. (willen)
  6. Ik weet niet of hij het adres heeft willen ___. (sturen)
  7. Wil je me helpen of moet ik het ___? (doen)
  8. We moeten hier nog even ___ wachten. (blijven)
  9. Mijn baas ___ dat ik de cijfers controleer. (willen)
  10. Je moet die oude spullen echt ___ weggooien. (moeten)
  11. Ik zou je willen ___ dat ik er niet bij kan zijn. (zeggen)
  12. Wil je even kijken of de deur ___? (op slot)