B1 · Verbs
Verb clusters: willen and moeten
Wil je …? Moet ik …? Two verbs at the end.
- Wil je vanavond langskomen ___? (komen)
- Ik moet je iets ___ over de huur. (zeggen)
- Ze vroeg of ik met haar mee wilde ___ naar het strand. (gaan)
- We ___ vóór vrijdag de aanvraag invullen. (moeten)
- Hij wil ___ helpen, maar hij heeft geen tijd. (willen)
- Ik weet niet of hij het adres heeft willen ___. (sturen)
- Wil je me helpen of moet ik het ___? (doen)
- We moeten hier nog even ___ wachten. (blijven)
- Mijn baas ___ dat ik de cijfers controleer. (willen)
- Je moet die oude spullen echt ___ weggooien. (moeten)
- Ik zou je willen ___ dat ik er niet bij kan zijn. (zeggen)
- Wil je even kijken of de deur ___? (op slot)