Learn Dutch
B1 · Verbs

Verb clusters: kunnen and horen

Kun je …? Hoor ik dat goed? Can and hear in clusters.

  1. Kun je me even ___ helpen? (kunnen)
  2. Ik hoor de deur ___. (opengaan)
  3. We konden die week niet ___ naar de bibliotheek. (gaan)
  4. Hoort u dat de regen ___? (falen)
  5. Zou je de tafel even willen ___ dekken? (kunnen)
  6. We hebben het concert niet ___ horen, het was uitverkocht. (kunnen)
  7. Ik hoor de buitenman ___ werken. (kloppen)
  8. Kunt u mij vertellen waar de uitgang ___? (kunnen)
  9. Ze kon de vraag niet ___ beantwoorden. (kunnen)
  10. We horen de kinderen al ___ spelen.
  11. Hij kon die oude laptop niet meer ___ starten. (kunnen)
  12. Ik hoor je het verhaal niet ___ vertellen, het is te druk. (kunnen)