B1 · Verbs
Verb clusters: kunnen and horen
Kun je …? Hoor ik dat goed? Can and hear in clusters.
- Kun je me even ___ helpen? (kunnen)
- Ik hoor de deur ___. (opengaan)
- We konden die week niet ___ naar de bibliotheek. (gaan)
- Hoort u dat de regen ___? (falen)
- Zou je de tafel even willen ___ dekken? (kunnen)
- We hebben het concert niet ___ horen, het was uitverkocht. (kunnen)
- Ik hoor de buitenman ___ werken. (kloppen)
- Kunt u mij vertellen waar de uitgang ___? (kunnen)
- Ze kon de vraag niet ___ beantwoorden. (kunnen)
- We horen de kinderen al ___ spelen.
- Hij kon die oude laptop niet meer ___ starten. (kunnen)
- Ik hoor je het verhaal niet ___ vertellen, het is te druk. (kunnen)