Learn Dutch
B1 · Verbs

Where niet goes in a main clause

Niet before the word it negates, but not always at the end.

  1. Ik ga vanavond ___ naar het concert. (gaan)
  2. Hij heeft het huis ___ verkocht. (verkopen)
  3. We moeten vandaag ___ boodschappen doen. (moeten)
  4. Die film heb ik ___ gezien. (zien)
  5. Ze kan vandaag ___ naar de cursus komen. (kunnen)
  6. Mijn broer is ___ in Rome geweest. (zijn)
  7. Ik heb het nog ___ begrepen. (begrijpen)
  8. Wij hebben de discussie ___ gevolgd. (volgen)
  9. Die woning is ___ meer te huur. (zijn)
  10. Hij spreekt ___ goed Nederlands. (spreken)
  11. We hebben het regenjack ___ meegenomen. (meenemen)
  12. Ik vind het plan ___ zo gek. (vinden)