B1 · Verbs
Where niet goes in a main clause
Niet before the word it negates, but not always at the end.
- Ik ga vanavond ___ naar het concert. (gaan)
- Hij heeft het huis ___ verkocht. (verkopen)
- We moeten vandaag ___ boodschappen doen. (moeten)
- Die film heb ik ___ gezien. (zien)
- Ze kan vandaag ___ naar de cursus komen. (kunnen)
- Mijn broer is ___ in Rome geweest. (zijn)
- Ik heb het nog ___ begrepen. (begrijpen)
- Wij hebben de discussie ___ gevolgd. (volgen)
- Die woning is ___ meer te huur. (zijn)
- Hij spreekt ___ goed Nederlands. (spreken)
- We hebben het regenjack ___ meegenomen. (meenemen)
- Ik vind het plan ___ zo gek. (vinden)