Learn Dutch
B1 · Verbs

Niet with maar and toch

Niet … maar: the contrast with maar after the negation.

  1. Ik ga niet mee, ___ ik blijf thuis werken. (gaan)
  2. Hij heeft het niet gelezen, ___ hij zal het morgen doen. (lezen)
  3. We gaan toch ___ naar het zwembad, het is mooi weer. (gaan)
  4. Ze is niet gekomen, ___ ze heeft wel gebeld. (komen)
  5. Ik vind het niet leuk, ___ ik ga toch mee. (vinden)
  6. We konden niet binnenkomen, ___ het was al dicht. (kunnen)
  7. Hij is niet naar de vergadering gekomen, ___ hij was ziek. (komen)
  8. Ik heb de mail wel gelezen, ___ ik heb er niet op geantwoord. (lezen)
  9. We hebben niets gekocht, ___ er was geen geld. (kopen)
  10. Ze blijft niet thuis, ___ ze gaat naar het zwembad. (blijven)
  11. Ik wist het niet zeker, ___ ik heb het gewoon geprobeerd. (weten)
  12. We konden niet harder lopen, ___ het was te heet. (lopen)