B1 · Verbs
Niet with maar and toch
Niet … maar: the contrast with maar after the negation.
- Ik ga niet mee, ___ ik blijf thuis werken. (gaan)
- Hij heeft het niet gelezen, ___ hij zal het morgen doen. (lezen)
- We gaan toch ___ naar het zwembad, het is mooi weer. (gaan)
- Ze is niet gekomen, ___ ze heeft wel gebeld. (komen)
- Ik vind het niet leuk, ___ ik ga toch mee. (vinden)
- We konden niet binnenkomen, ___ het was al dicht. (kunnen)
- Hij is niet naar de vergadering gekomen, ___ hij was ziek. (komen)
- Ik heb de mail wel gelezen, ___ ik heb er niet op geantwoord. (lezen)
- We hebben niets gekocht, ___ er was geen geld. (kopen)
- Ze blijft niet thuis, ___ ze gaat naar het zwembad. (blijven)
- Ik wist het niet zeker, ___ ik heb het gewoon geprobeerd. (weten)
- We konden niet harder lopen, ___ het was te heet. (lopen)