Learn Dutch
B1 · Verbs

Where niet goes in a subordinate clause

Niet before the verb in a clause: omdat hij niet komt.

  1. Ik weet dat hij niet ___. (komen)
  2. Ze zei dat ze het boek niet had ___. (lezen)
  3. Ik vraag me af of hij het ___ weet. (weten)
  4. Het is jammer dat de trein niet op ___ is. (aankomen)
  5. Ik ben blij dat je niet te laat bent ___. (zijn)
  6. Mijn baas vroeg waarom ik niet ___ had gebeld. (bellen)
  7. Ik betwijfel of die woning overgewaardeerd ___. (zijn)
  8. Ze vroeg of ik niets te drinken ___. (hebben)
  9. Het is niet zo dat hij ___ werkt. (werken)
  10. Ik hoop dat het niet gaat ___. (regenen)
  11. We bespraken of de prijs niet te hoog ___. (zijn)
  12. Mijn collega zei dat hij de vergadering niet had willen ___. (bijwonen)