B1 · Verbs
Where niet goes in a subordinate clause
Niet before the verb in a clause: omdat hij niet komt.
- Ik weet dat hij niet ___. (komen)
- Ze zei dat ze het boek niet had ___. (lezen)
- Ik vraag me af of hij het ___ weet. (weten)
- Het is jammer dat de trein niet op ___ is. (aankomen)
- Ik ben blij dat je niet te laat bent ___. (zijn)
- Mijn baas vroeg waarom ik niet ___ had gebeld. (bellen)
- Ik betwijfel of die woning overgewaardeerd ___. (zijn)
- Ze vroeg of ik niets te drinken ___. (hebben)
- Het is niet zo dat hij ___ werkt. (werken)
- Ik hoop dat het niet gaat ___. (regenen)
- We bespraken of de prijs niet te hoog ___. (zijn)
- Mijn collega zei dat hij de vergadering niet had willen ___. (bijwonen)