Learn Dutch
B1 · Verbs

Verbs with the preposition aan

Wachten aan, deelnemen aan, meewerken aan, beginnen aan.

  1. We hebben lang op de bus ___. (wachten)
  2. Ik doe ___ aan de excursie naar Zeeland. (meedoen)
  3. De hele buurt werkt mee aan het feest ___. (meewerken)
  4. We nemen ___ aan een cursus over zonnepanelen. (deelnemen)
  5. Hij is ___ aan het harde werk op de boerderij. (wennen)
  6. We moeten morgen vroeg aan het werk ___. (beginnen)
  7. De meeste leerlingen sluiten zich ___ bij de groep. (aansluiten)
  8. Hij heeft deelgenomen aan de marathon in Rotterdam ___. (deelnemen)
  9. Wij wachten al een uur ___ de bus naar Utrecht. (wachten)
  10. Zij heeft de hele ochtend aan de voorbereiding van de les ___. (werken)
  11. Ik sluit me ___ bij de werkgroep over duurzame steden. (aansluiten)
  12. We moeten de inschrijving nog ___ aan de balie. (doen)