B1 · Verbs
Verbs with the preposition aan
Wachten aan, deelnemen aan, meewerken aan, beginnen aan.
- We hebben lang op de bus ___. (wachten)
- Ik doe ___ aan de excursie naar Zeeland. (meedoen)
- De hele buurt werkt mee aan het feest ___. (meewerken)
- We nemen ___ aan een cursus over zonnepanelen. (deelnemen)
- Hij is ___ aan het harde werk op de boerderij. (wennen)
- We moeten morgen vroeg aan het werk ___. (beginnen)
- De meeste leerlingen sluiten zich ___ bij de groep. (aansluiten)
- Hij heeft deelgenomen aan de marathon in Rotterdam ___. (deelnemen)
- Wij wachten al een uur ___ de bus naar Utrecht. (wachten)
- Zij heeft de hele ochtend aan de voorbereiding van de les ___. (werken)
- Ik sluit me ___ bij de werkgroep over duurzame steden. (aansluiten)
- We moeten de inschrijving nog ___ aan de balie. (doen)