Learn Dutch
B1 · Verbs

Verbs with over and uit

Vertellen over, nadenken over, afspreken over, uitgaan van.

  1. We hebben vanmorgen over de vakantie ___. (praten)
  2. Ik heb al uren over die keuze ___. (nadenken)
  3. De twee teams hebben vooraf over het spel ___. (afspreken)
  4. Die uitkomst komt uit een misverstand ___. (voortkomen)
  5. Het idee is uit een gesprek met buurtbewoners ___. (voortkomen)
  6. We gaan vanavond uitgaan, de helft van het team ___. (uitgaan)
  7. De eerste eigenaar ___ de winkel zelf, in 1994. (beginnen)
  8. Ze ___ ons over haar reis naar Japan. (vertellen)
  9. We hebben nog niet over het aanbod ___. (praten)
  10. Dat is een mooi verhaal, waar komt het ___? (voortkomen)
  11. Het idee is bij ons op de werkplaats ___. (ontstaan)
  12. We hebben gisteren de hele avond over de toekomst ___. (praten)