B1 · Verbs
Verbs with over and uit
Vertellen over, nadenken over, afspreken over, uitgaan van.
- We hebben vanmorgen over de vakantie ___. (praten)
- Ik heb al uren over die keuze ___. (nadenken)
- De twee teams hebben vooraf over het spel ___. (afspreken)
- Die uitkomst komt uit een misverstand ___. (voortkomen)
- Het idee is uit een gesprek met buurtbewoners ___. (voortkomen)
- We gaan vanavond uitgaan, de helft van het team ___. (uitgaan)
- De eerste eigenaar ___ de winkel zelf, in 1994. (beginnen)
- Ze ___ ons over haar reis naar Japan. (vertellen)
- We hebben nog niet over het aanbod ___. (praten)
- Dat is een mooi verhaal, waar komt het ___? (voortkomen)
- Het idee is bij ons op de werkplaats ___. (ontstaan)
- We hebben gisteren de hele avond over de toekomst ___. (praten)