B1 · Verbs
Verbs with voor and met
Zorgen voor, zoeken naar, wachten op, houden van.
- De ouders ___ goed voor hun kinderen. (zorgen)
- We hebben maanden naar een geschikte woning ___. (zoeken)
- Ze houdt veel van haar oude ___. (houden)
- Houd je rekening ___ de nieuwe vertrektijden. (houden)
- Ze is akkoord gegaan met het voorstel ___ de buurt. (gaan)
- Wie betaalt de huur ___ de garage? (betalen)
- Het is belangrijk dat je goed luistert naar de ___. (luisteren)
- We moeten kiezen tussen de twee ___. (kiezen)
- Mijn collega strijdt voor de rechten van de ___. (strijden)
- We hebben lang gewacht op de komst van de ___. (wachten)
- Ik luisterde naar een podcast over de geschiedenis van ___. (luisteren)
- Hij houdt niet van koffie, maar wel van ___. (houden)