Learn Dutch
B1 · Verbs

Verbs with voor and met

Zorgen voor, zoeken naar, wachten op, houden van.

  1. De ouders ___ goed voor hun kinderen. (zorgen)
  2. We hebben maanden naar een geschikte woning ___. (zoeken)
  3. Ze houdt veel van haar oude ___. (houden)
  4. Houd je rekening ___ de nieuwe vertrektijden. (houden)
  5. Ze is akkoord gegaan met het voorstel ___ de buurt. (gaan)
  6. Wie betaalt de huur ___ de garage? (betalen)
  7. Het is belangrijk dat je goed luistert naar de ___. (luisteren)
  8. We moeten kiezen tussen de twee ___. (kiezen)
  9. Mijn collega strijdt voor de rechten van de ___. (strijden)
  10. We hebben lang gewacht op de komst van de ___. (wachten)
  11. Ik luisterde naar een podcast over de geschiedenis van ___. (luisteren)
  12. Hij houdt niet van koffie, maar wel van ___. (houden)