B1 · Verbs
Verbs with a preposition, part 2
Antwoorden op, deelnemen aan, voorstellen aan, afspreken met.
- Hij heeft nog niet op mijn mail ___. (antwoorden)
- We ___ volledig op ons eigen team. (vertrouwen)
- Zij stelde een nieuwe aanpak aan de directie ___. (voorstellen)
- Ik heb met de buurman over de tuin ___. (afspreken)
- De professor ___ een lezing over het oude centrum. (houden)
- Ze ___ meteen op mijn suggestie. (reageren)
- Wij hebben de inspectie een jaar gegeven om het pand te ___ renoveren. (verlengen)
- De politie heeft de buurt ontrukt van het lawaai ___. (ontruimen)
- Hij ___ vaak met zijn vrienden naar het zwembad. (gaan)
- Het gemeentebestuur ___ volgende week over de nieuwe parkeerregels. (beslissen)
- We moeten ruimte ___ voor nieuwe ideeën. (maken)
- Hij ___ tegen mij over dat late eten. (klagen)