Learn Dutch
B1 · Verbs

Verbs with a preposition, part 2

Antwoorden op, deelnemen aan, voorstellen aan, afspreken met.

  1. Hij heeft nog niet op mijn mail ___. (antwoorden)
  2. We ___ volledig op ons eigen team. (vertrouwen)
  3. Zij stelde een nieuwe aanpak aan de directie ___. (voorstellen)
  4. Ik heb met de buurman over de tuin ___. (afspreken)
  5. De professor ___ een lezing over het oude centrum. (houden)
  6. Ze ___ meteen op mijn suggestie. (reageren)
  7. Wij hebben de inspectie een jaar gegeven om het pand te ___ renoveren. (verlengen)
  8. De politie heeft de buurt ontrukt van het lawaai ___. (ontruimen)
  9. Hij ___ vaak met zijn vrienden naar het zwembad. (gaan)
  10. Het gemeentebestuur ___ volgende week over de nieuwe parkeerregels. (beslissen)
  11. We moeten ruimte ___ voor nieuwe ideeën. (maken)
  12. Hij ___ tegen mij over dat late eten. (klagen)