Learn Dutch
B1 · Verbs

Kiezen and uitzoeken + te

Uitzoeken, kiezen, beslissen: with te + infinitive.

  1. Ik heb lang ___, maar ik kon niets vinden dat past. (zoeken)
  2. We moeten samen ___ welk restaurant we gaan. (kiezen)
  3. Het is moeilijk om de juiste sleutel te ___. (kiezen)
  4. Zij heeft besloten een andere oplossing te ___. (kiezen)
  5. We hebben nog geen datum ___. (kiezen)
  6. De docent vraagt de studenten om een onderwerp te ___. (kiezen)
  7. Ik heb er lang over ___, maar ik kan me niet voorstellen dat het helpt. (nadenken)
  8. Wij moeten eerst bekijken welk contract het beste ___. (uitzoeken)
  9. De klant bedankt ons dat we zo zorgvuldig hebben ___. (uitzoeken)
  10. Ik aarzel nog over de keuze, ik kan het niet ___. (beslissen)
  11. Omdat we niets konden ___, gingen we naar een ander adres. (vinden)
  12. Zij overweegt om de oude laptop te ___. (vervangen)