Learn Dutch
B1 · Verbs

Even: a short action

Even bellen, even kijken: a quick action in a sentence.

  1. Ik moet je even ___, het is belangrijk. (bellen)
  2. Wacht je ___, ik ben er bijna. (wachten)
  3. Kun je even ___ of de deur open is? (kijken)
  4. We hebben even ___, want het regende hard. (pauzeren)
  5. Zij ___ even bij het loket wachten. (wachten)
  6. Kom even ___ als je tijd hebt. (kijken)
  7. We moeten de auto even ___ voor de garage. (rijden)
  8. Ze belde even om te ___ dat het goed ging. (zeggen)
  9. Laten we even ___ hoe het gaat met het project. (praten)
  10. Hij moest even zoeken om de benodigde papieren te ___. (zoeken)
  11. Neem even de tijd om alles goed te ___. (lezen)
  12. We hebben even ___ om te bespreken wat er gebeurd is. (pauzeren)