Learn Dutch
B1 · Verbs

Hoeven: hoeft niet te / hoeft geen … te

Two ways of saying that something is not necessary.

  1. U hoeft niet te ___, ik regel het wel. (bellen)
  2. Je hoeft geen formulier in te ___. (vullen)
  3. Ik hoef vandaag niets te ___, want ik heb vrije dag. (doen)
  4. We hoeven geen tweede kaartje te ___. (kopen)
  5. Je hoeft je geen zorgen te ___, het komt goed. (maken)
  6. Hoeft u nog iets te ___, meneer? (vragen)
  7. Ik hoef geen toestemming te ___, ik ben eigenaar. (vragen)
  8. We hoefden die ochtend niet zo vroeg te ___. (opstaan)
  9. Hoeft er nog iets te worden ___, of zijn we klaar? (afgehandelen)
  10. Je hoeft niet bang te ___ om te vragen. (zijn)
  11. We hoeven geen toestemming te ___ voor dit evenement. (vragen)
  12. Ik hoefde daar niets te ___, want alles stond klaar. (regelen)