B1 · Verbs
Separable verbs: where the two parts go
Het voorstuk gaat naar het einde van de zin.
- Ik bel je vanavond, zoals ik had ___. (beloven)
- De directeur zal de plannen morgen ___. (presenteren)
- We ___ elkaar morgen, zoals je weet. (telefoneren)
- Ik ben het niet eens met die bewering, ik zal er met haar over ___. (praten)
- De excursie gaat niet door, de bus is ___. (afgelast)
- Mijn collega staat elke ochtend vroeg ___ om de brug te openen. (opstaan)
- Wij ruimen het lokaal ___ na de cursus. (opruimen)
- Hij zegt dat hij het probleem wil ___. (oplossen)
- We moeten de oude meubels ___ en het huis opknappen. (afvoeren)
- Ze heeft het contract ___, dus het is nu definitief. (tekenen)
- Gaat u mee, of blijft u nog ___? (blijven)
- Ik heb de hele middag geprobeerd de computer ___ te starten. (opstarten)