Learn Dutch
B1 · Verbs

Separable verbs: where the two parts go

Het voorstuk gaat naar het einde van de zin.

  1. Ik bel je vanavond, zoals ik had ___. (beloven)
  2. De directeur zal de plannen morgen ___. (presenteren)
  3. We ___ elkaar morgen, zoals je weet. (telefoneren)
  4. Ik ben het niet eens met die bewering, ik zal er met haar over ___. (praten)
  5. De excursie gaat niet door, de bus is ___. (afgelast)
  6. Mijn collega staat elke ochtend vroeg ___ om de brug te openen. (opstaan)
  7. Wij ruimen het lokaal ___ na de cursus. (opruimen)
  8. Hij zegt dat hij het probleem wil ___. (oplossen)
  9. We moeten de oude meubels ___ en het huis opknappen. (afvoeren)
  10. Ze heeft het contract ___, dus het is nu definitief. (tekenen)
  11. Gaat u mee, of blijft u nog ___? (blijven)
  12. Ik heb de hele middag geprobeerd de computer ___ te starten. (opstarten)