Learn Dutch
B1 · Verbs

Inseparable verbs: one block

Bezoeken, controleren, telefoneren: no split, even in the perfect.

  1. We ___ de oude brug gisteren. (bezoeken)
  2. De inspecteur ___ de boeken elke maand. (controleren)
  3. Mijn moeder ___ mij elke zondag. (telefoneren)
  4. Hij heeft het contract vandaag ___. (ondertekenen)
  5. We ___ de aanvraag vandaag met de post. (versturen)
  6. De studenten ___ hun werk bij de balie. (afleveren)
  7. De bibliotheek ___ een avond per week gesloten. (sluiten)
  8. De regiemanager ___ de klacht en belde de klant terug. (behandelen)
  9. Zij ___ haar oude fiets al snel. (verkopen)
  10. We moeten de rekening nog ___ en dan is het klaar. (betalen)
  11. Hij ___ de hele ochtend aan de telefoon. (praten)
  12. De gemeente zal de werkzaamheden in het weekend ___. (uitvoeren)